Dubbelinterview met Freek de Jonge
Leefregels VRIJ NEDERLAND


Ban het lieve meisje
‘Ik was een braaf, katholiek meisje uit Borne dat orgel speelde en in het kerkkoor zong. Mijn moeder naaide mijn kleren volgens de laatste mode in De Knip. Ik ben opgegroeid met het idee een lief meisje te moeten zijn. Ik vind het verschrikkelijk lief te moeten zijn! Als ik alles met een glimlach zeg, neem ik nooit keihard stelling. Ik draag twee harnassen: die van het lieve meisje en die van mijn ratio; ik kan op elke ja meteen een nee verzinnen waardoor ik niet handel. Door die harnassen probeer ik heen te breken, dat is mijn roep om rebellie en authenticiteit. Maar ik vrees dat dat lieve toch een beetje in me zit, zelfs in mijn taalgebruik, alhoewel dat ook te maken heeft met smaak. Ik haat het woord ‘focking’.Vreemdgaan noem ik in mijn columns: een kortstondig toeristisch verblijf in een wildvreemde schaamstreek.’
Kies voor jezelf, kies voor creativiteit
‘Heb je naaste lief, stond thuis centraal. Mijn moeder bezoekt bejaarden en zieken, iedereen was welkom bij ons. Ik wilde de wereld verbeteren, had niks met puur hedonisme. En dus ging ontwikkelingsstudies, psychologie en filosofie studeren en stelde mij de vraag: wat is de fundamentele fout van de mensheid dat er zoveel ellende is? Religie vond ik te makkelijk, dat God het wel even oplost. Een antwoord vond ik niet, en ik ging creatieve therapie studeren. Inmiddels besef ik dat geïndoctrineerd zijn door naastenliefde ook niet goed is. Ik vind het nog steeds moeilijk om voor mezelf te kiezen. Maar als je jezelf redt in plaats van de wereld, ben je een veel aangenamer mens voor je omgeving. Ik strijd nog dagelijks tegen de verwachtingen van mijn omgeving en vóór het uiten van mijn creativiteit.’
Koester je speelsheid
‘Ik ben altijd een paljas geweest, lachen is mijn overlevingsstrategie. Als anderen om mijn ellende kunnen lachen, dan ik ook; dan heb ik het gedeeld. Tijdens de gymles vroeger –ik ben altijd slecht geweest in sport – wierp ik mijzelf bij de opslag achter de volleybal aan. Daar maakte ik maar meteen een act van door te vallen, zodat ik de lachers op mijn hand had. Ik was het borstloze huppeldingetje tussen de vroegrijpe vriendinnen die mij aanstootten dat ik normaal moest doen. Maar mijn speelsheid is er niet uit te rammen! Als ik muziek hoor begin ik te dansen en ik zing op de fiets. In een park ben ik eens voor een Macedonische vrouw in Macedonisch gezang uitgebarsten. Daarna gingen we theedrinken in een coffeeshop. Ik pluk de dag en probeer me niet te laten remmen.’
Flap alles eruit
‘Het is goed om je kwetsbaarheid en emoties te tonen. Ik flap alles eruit en moedig anderen aan dat ook te doen. Ik heb nog steeds podiumvrees, en sta nog wel eens achter de coulissen te kniezen: ‘Ik heb het niet’ roep ik dan. ‘Ik heb het niet!’ Mijn technicus lachte om deze existentiële worsteling. En toen had ik het weer. Gisteren zei een man in de rij bij de kassa: was ik bijna mijn kinderei vergeten! Toen vroeg ik aan de cassière: zou hij dat ei voor zichzelf hebben gekocht? Zij: je moest eens weten hoeveel volwassenen verrassingseieren voor zichzelf kopen. Dat was een nieuw inzicht in de mensheid. Ik loop de Albert Heijn altijd uit met nieuwe ideeën. Op het Oerol-festival riep een vrouw op het toilet: wat moet ik toch met die man! Nou, daar hadden we het over en later liep zij opgelucht weg. Ik denk wel eens: Als mensen meer met elkaar zouden durven delen hadden we minder psychologen nodig.’
Met een beetje onhandigheid is niets mis
‘Ik heb een aangeboren onhandigheid. Als ik veeg, dan neem ik nauwelijks vuil mee. Ik snij op een vreemde wijze paprika en ik steek de verkeerde vingers in een schaar. Toen ik eens een zelfgemaakt liedje op de piano aan mijn leraar liet horen, zei hij: het slaat nergens op, maar is typisch jou. Ik kan je allemaal muzikaal technische tips geven, maar dan verliest het jouw eigenheid. Laat het maar zo. Ik ben wereldvreemd en heb daar mijn beroep van gemaakt.’