Stille kracht
A.S
Valt er nog wat te twisten hier?
In plaats van vrede
Rebel
Nationaaltje


‘Met hiphop heb ik helemaal niks’, zeg ik tegen de platenzaakverkoper tijdens het afrekenen. ‘Dat kan’, zegt hij. Terwijl hij naar me kijkt alsof hij zeggen wil: ‘Mens, wat moet ik met deze opmerking!?’ Ik heb daar geen antwoord op. Sommige dingen wil ik nu eenmaal graag uitspreken. Dan ben ik ervan af. ‘Ik hou meer van ‘hop en hup’ leg ik uit, ‘dan van ‘hip en hop’. De verkoper kijkt nu nog vragender naar me. ‘Nou ja’, vat ik samen, ‘ik ben misschien gewoon niet zo’n euhm…jo-jo motherfucker-type.’
‘Je snapt het niet,’ antwoordt hij. ‘Je moet hiphop zien als zwarte poëzie. Het gaat dieper dan je denkt, weet je. Over onrechtvaardigheid, over geweld. Hiphop gaf de mensen in criminele krottenwijken een stem. Tegenwoordig kunnen jongeren nog steeds hun maatschappelijke woede en onbegrip erin kwijt.’
Ik slik. Ineens zie ik mezelf staan als een soort wereldvreemde, welgestelde dame in een leuke, vlotte jas die nog nooit te vondeling is gelegd, laat staan een pistool heeft aangeraakt. ‘Het ligt aan mij, hoor, dat ik hiphop niet leuk vind’, vergoeilijk ik de zaak. Dit is op zich een loze correctie. Dat ik niet van zwemmen hou, ligt ook aan mij. Dat ik geen lever lust, ligt ook aan mij. Dat ik Berlusconi een belachelijke olijf vind, ligt ook aan mij. (Of nou ja, in dit geval aan Berlusconi.)
‘Ik kan niet naar reggae luisteren,’ biecht de verkoper op. ‘Na drie liedjes Bob Marley heb ik het wel gehad met die man.’
‘Zo heeft ieder z’n smaak,’ wil ik bijna zeggen. Maar ik zwijg, want ik vind het een ergerlijk cliché. Nog ergerlijker zelfs dan hiphop. Liever vertel ik hem waar ik van hou. Dat ik mijn Ipod zou willen inkruipen als ik naar Bulgaarse doedelzakken luister. En hoe merkwaardig dat wel niet is. Omdat niemand überhaupt naar Bulgaarse doedelzakken luisteren wil. En dat ik me afvraag welke reden dat heeft. Of dat genetisch bepaald is? Bestaat er zoiets als een ‘Bulgaarse doedelzak’-gen, een ‘hiphop’-gen of een ‘FransBauer’-gen? En waarom heeft de één ze wel en de ander ze niet? Toch houd ik me stil.
De verkoper overhandigt mij de kassabon. Ik besluit hem niet lastig te vallen met mijn Bulgaarse doedelzakken en zeg: ‘Dankjewel’.
Met blij gemoed stop ik mijn nieuwe muzikale aanwinst in mijn tas.
‘Ieder z’n smaak,’ zegt hij.