Valt er nog wat te twisten hier?
In plaats van vrede
Rebel
Nationaaltje
Vrouw kijkt boer zoekt vrouw
BOEM!


Jan Smit heb ik drie jaar geleden ontmoet. Of wat heet ‘ontmoet’: hij had dezelfde kleedkamer als ik. Of wat heet ‘kleedkamer’: het was de luxe zolderverdieping van een oerHollandse, donkerbruine uitbating waar het verjaardagsfeest van een multimiljonair gehouden werd. Jan liep er rond met een hippe cameraman. Hij was bezig met de opnames van z’n realitysoap. Ik liep er rond met een groot gevoel van ongemak.‘Wat doe ik hier?’ was het overheersende basisgevoel.
Jan en ik moesten allebei onze kunstjes vertonen. Of wat heet ‘kunstjes’: Jan deed ‘Ik zing dit lied voor jou alleen’ en andere hits. Ik had me al weken vol compassie in de loopbaan, de minnaressen en de huidziektes van de jarige verdiept om een uniek staaltje ‘cabaret op maat’ te kunnen uitvoeren. Het was aan het begin van mijn cabaretcarrière. Elke mogelijkheid tot optreden greep ik met beide handen aan. Vijfhonderd euro kreeg ik er voor (Jan waarschijnlijk het twintigvoudige). Jan kwam per helikopter. Ik had op de vroege zondagochtend al een anderhalf uur durend traject met de regiobus achter de rug. Jan kwam te laat. Ik was drie uur te vroeg. Toch mocht Jan eerst.
‘Sorry, we verschuiven het programma,’ luidde de mededeling van de ceremoniemeester. Ik vond het geen probleem. Op die manier had ik extra tijd om mijn zelfgeschreven liedje over ‘kaalheid’ beter voor te bereiden. Op de melodie van ‘Zij dronk ranja met een rietje… mijn Sophietje’ had ik namelijk de tekst ‘Hij droeg op z’n kale pletje…een toupetje’ verzonnen. ‘Nee, het was voor hem geen pretje, zo’n toupetje, op een hete zomerdag!’ Een echte meezinger moest het worden.
En terwijl beneden in de feestzaal Jan Smit de gasten tot hossen ophitste, kwam Anita Meyer binnen. ‘Sorry, we verschuiven wederom het programma’, deelde de ceremoniemeester mede. Dus zo zag ik het gebeuren, dat óók Anita Meyer ‘voorkroop’. Maar goed, ik kende m’n plek.
Pas aan het eind van de avond, na acht uur wachten, was ik aan de beurt. Het publiek had ‘m alcoholisch gezien al ‘goed zitten’. Het was in de ‘wij-vinden-nu-alles-leuk-zolang-er-maar-bier-is’-stemming. Zelfs Kabouter Plop zou geaccepteerd worden. Of juist.
Ik werd dan ook onthaald onder een daverend gejoel. Terecht. Ik was immers de slotact van de avond. Mensen begonnen spontaan met hun toupetjes te gooien. Het was, zoals het heet, een welgemeend, warm bad. Toch was ik opgelucht toen ik even later gewoon weer in de regiobus zat.