Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband
Oer!!


In het cafeetje, waar ik regelmatig een cappuccino drink, is het druk. Een moeder baant zich met een wandelwagen worstelend een weg langs de tafeltjes. Uiteindelijk ploft ze met een diepe zucht neer op een lege stoel naast me. Ik geef haar een kort beleefd knikje en werp een blik op haar sabbelende telg.
Ze lacht me vriendelijk toe en onthult: ‘Ik ben zo blij dat er niet meer gerookt wordt hier. Nu kan ie gewoon mee!’
Ik schrik. Oh nee, denk ik…..gaan we dat krijgen! De roker is verdreven. De peuter is in aantocht. Niet dat ik niet van klein grut hou! Integendeel, ik smelt weg bij elk pril leven. Zo kreeg ik laatst spontaan een kortstondige kinderwens bij het zien van een jong puppyhondje.
Maar de combinatie kind en kroeg vind ik gewoonweg niet optimaal. Een café is bij uitstek een plek waar volwassenen onder het genot van een troostend drankje hun laatste ‘smart en vreugd’ met elkaar doorspreken. En dat is een activiteit die je niet kan ondernemen als je nog volop in de luiers zit en afhankelijk bent van moedermelk. Luidkeels chocolademelk opeisen, hangen aan tafelpoten en mensenbenen, gooien met kleurpotloden en een glas jus d’orange omverwerpen doe je bij opa en oma en niet in een Grand Café.
Nou ja, vergeef me mijn bitterheid. Ik ben nu eenmaal licht ontstemd over de gevolgen van het rookbeleid. Ik heb het te doen met de noodlijdende kleine caféhouder, de waard, de uitbater, de stamkroegbaas. Woorden die straks misschien net zo archaïsch zullen zijn als bijenkorfvlechter, turfdrager en aandeelhouder van Fortis.
En wat het nachtleven betreft. Het is je reinste dood aan Herman Brood! Een Arbo-wettelijk verantwoord, ruig avondje stappen is een onmogelijke opgave. Want pure ‘rock en roll’ komt pas tot rijping in een rauw, rokerig hol! Hoe aantrekkelijk is nog de man, die buiten met z’n peuk onder een smeulend terrasverwarmertje staat?
Nee, geef mij dan maar de tijden van Carmiggelt. Toen donkerbruine dranklokalen nog blauw stonden van brandende pijptabak. Toen oude, vrijgezelle mannetjes met heuse hoedjes en jonge jenever hun leed loslieten aan de bar. Mannetjes, die nu tevergeefs hun vertier moeten zoeken in de steriele recreatieruimtes van hun serviceflats. Oude tijden, waarin wulpse wichten de walm van hun smalle sigaretjes ‘zwoelerwijze’ door hun roodgestifte lippen naar buiten bliezen.
Ach wee, nooit gedacht, dat ik dit als fervent anti-rookster nog eens schrijven zou!