Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband
Oer!!


Ook al heb ik op mijn achttiende het schone Twente verlaten om het Nijmeegse studentenleven in te duiken, nog steeds word ik in den lande ‘Twentse cabaretière’genoemd. Terecht. Want zo gauw ik het podium betreedt, laat pure oerdrift mij met onvervalst Twentse tongval spreken. Wanneer de remmen los zijn, komt met de ware aard van het beestje de ware taal mee!
Het onverwoestbare behoud van mijn accent heb ik waarschijnlijk te danken aan mijn onvermogen tot linguïstische aanpassing. Oftewel: Wat taal betreft ben ik ‘onmeunig’ eigenwijs! Op het autistische af. Zet me tien jaar lang stelselmatig tussen rasechte Rotterdammers. Ik verzeker je: Ik blijf stug brooood kopen. Ik blijf op de autobaan rijden in plaats van op de snelweg. En nog altijd vraag ik aan de hoogzwangere medemens: Wanneer ben je uitgeteld?’ in plaats van uitgerekend?’ Mijn Twents beitel je er niet meer uit. Ik laat het nooit meer los! (Of was het open?)
Ooit heb ik wel ABN-bijles op de kleinkunstacademie gehad. De stemdocent dreigde met de voorspelling: ‘Als jij niet algemeen beschaafd Nederlands leert spreken, schop je het in de theaterwereld nooit verder dan een kleine bijrol in de musical ‘Bartje en de Bruine Bonen!
Geen enkel fatsoenlijk toneelgezelschap neemt jou aan!’ Zodoende stond ik destijds samen met een Limburgse jongen en een Zeeuw meisje het woord ‘motorrrrboat’ te oefenen. Maar het was een zinloze missie om ons ‘Philip Freriks’-achtig te laten klinken.
Uiteindelijk besloot ik: Aan mijn tongval wordt niet getornd! Ik hoef geen rol in een stuk. Ik schrijf mijn eigen shows wel. Zo gezegd, zo gedaan. Inmiddels kom ik met mijn voorstelling overal. En ik moet zeggen: ‘Men verstaat mij prima!’ Sterker nog, in plaatsen als Brielle, Hoofddorp en Soest ben ik als Tukkerse dame haast een exotische verschijning.
Want alles wat buiten het Gooi reikt, is voor de gemiddelde randstedeling onontgonnen, uitheems terrein. Als ik in Amsterdam vertel, dat ik in Nijmegen woon, kijkt men mij verdwaasd aan. Alsof ik nog met pijl en boog aan voedsel moet komen. Een Haagse serveerster riep ooit, nadat ik stoooofschoootel had besteld, vol verbazing uit: ‘Kom jij uit Varsseveld, ofzo?!’ En ze keek erbij alsof ze mest rook.
Maar het toppunt van regionale onwetendheid kwam van een Amsterdamse bakker. ’Waar kom jij vandaan?’ vroeg hij. ‘Uit de buurt van Hengelo,’ luidde mijn antwoord. ‘Goh, wat leuk!’, sprak hij. ‘Ik heb ook nog een neef in Emmen!’