Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband
Oer!!


Weggaan is nooit mijn sterkste kant geweest. Ik kom liever aan. Het was dan ook zinloos om in de kroeg mede te delen: ‘Beste mensen, ‘k kan niet langer blijven, ‘k wil over Wilmink schrijven.’ Want met het leven aan mijn voeten in een Amsterdams café, valt eenvoudigweg vertrekken voor mij geheel niet mee. Zo ging ik dus niet heen. En werd het aldoor later. Ik dronk er steeds weer één. En dat was bepaald geen water.
‘Wat hier gebeurt is Wilmink!’ overtuigde ik mijzelf. Want overal waar ik keek, hoorde ik zijn verzen. Adieu café, adieu café. Ik rolde van ‘t ene gedicht in ‘t andere. Niet dat het hondje Henkie liep te wenen langs de gracht. Ook de brief van ‘t Verkademeisje werd niet bezorgd die nacht. En de misplaatste tuinkabouter stond ook niet op de wacht.
Maar gewoon, hoe we daar zaten, met wat mensen zo bijeen. We waren niet eens vrienden. Elkaar zojuist ontmoet. We praatten over vaders. En dat voelde heel erg goed. Het ging niet over rang. Het ging niet over stand. Er was een mooie eendracht. Nog net niet hand in hand. Tegen zijn grote ruwe jas heb ik mijn hoofd gelegd. Ik speel niet meer met poppen, heb ik gezegd. We hadden tranen in de ogen. En vreugde in ons glas. Al lagen slechts zijn bundels onderin mijn tas. Toch leek het alsof Willem er ook een beetje was.
En ik raakte ik aan de praat met een man. Zijn grootouders waren geboren in Borne. Scholten was hun familienaam. Ze woonden achter textielfabriek de Spanjaard in die tijd. Zo vertelde hij. En oeps, Willem schoot voorbij. Textielbaronnen van weleer, hun jachtgebied bestaat niet meer. Waar zouden ze gebleven zijn, van Heek, ter Kuile, Blijdenstein?
En er was een emigrant. Hij woonde sinds een jaar in New York en was even in A’dam om iets drinken met z’n neefje. Mijn hart is op twee plaatsen tegelijk. Ze scheelden twintig jaar. En je zag die trots en dat respect, die bloedband met elkaar. Al lagen slechts zijn bundels onderin mijn tas. Toch leek het alsof Willem er ook een beetje was.
Het weggaan braak nu aan. Het café sloot zijn deur. Café Oosterling. Die naam sprak boekdelen. Nu wist ik het zeker. Mijn pen had slechts geslapen onderin in mijn tas. Maar Willem was erbij. Hij zag dat het goed was.