Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband
Oer!!


Gisternamiddag, de zon ging onder en het kwam plots op. Ik kreeg enorm de behoefte aan de geur van dennennaalden en mos. Daarop volgde een groot verlangen om met een stel dierbaren bij een boom met ballen te gaan zitten. Dit kon maar een ding betekenen: Het kerstgevoel. Ik heb het weer.
Elk jaar opnieuw kamp ik met zeer sterk ontwikkelde kerstgevoelens. Vaak steken ze begin november al de kop op. Bij een temperatuur van twee graden of minder, een droge buitenlucht, voorzichtige schemering en een vleugje eenzaamheid rijpen ze het best. Dan hoef ik maar ergens een kaarsje te zien branden of een rood strikje in een etalage te zien liggen en de kerstgevoelens doen zich in volle glorie aan mij voor: Ik wil ter plekke vrede, liefde en rollade!
Ik noem het lijden aan heftige kerstgevoelens ook wel ‘het meisje-met-de-zwavelstokjes-syndroom.’ Dat is de onverdraaglijke hunkering naar het hele dagen languit voor een brandende kachel liggen, sabbelend aan een kerstkransje, luisterend naar een oude vrouw die met doorleefde stem in een donkerbruine schommelstoel ‘de herdertjes lagen bij nachten’voor je neuriet! Dat wil toch iedereen als het buiten vriest.
Maar ja, waar moet je met al deze smarten naar toe, als je net op dat moment ergens geld staat te pinnen, of drie stronken witlof in een plastic zakje doet bij de supermarkt. De gemiddelde voorbijganger weet zich ook geen raad met de opmerking: ‘Ik sta hier nu wel witlof te wegen maar jeetje, wat heb ik trek in vrede!’
Dus wacht ik elk jaar op de grote dag. Want pas op vijfentwintig december kan ik los. Dan kan ik ongegeneerd m’n kerstgevoelens de vrije loop laten gaan. Dan mag ik mij blind staren op het prachtige porseleinen kindje in de kribbe.
Helaas, de werkelijkheid valt altijd tegen. Elk jaar op eerste kerstdag vind ik mijzelf rond vier uur ’s middags terug op de bank. Het schone, delicate kerstgevoel is ver te zoeken. Het ligt ergens te vergaan op de bodem van mijn maag, bedolven onder amandelspijs, roombotercroissants, stukken brie en hier en daar een garnaal, dobberend in glühwein. Meestal heeft een dapper familielid nog de kracht om door de vraatzucht heen te breken en te roepen: ‘Laat die wokkels liggen, jongens! We gaan even naar het bos! Dan hebben we misschien daarna wel weer honger!’
Ik zwijg, vraag me alleen maar af: ‘Kerstmis. Is dit het nou?’