Schoonmakers aller landen, verenigt u!
Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband


Nederland is bang. Bang om te verliezen. Wat ze kan verliezen, weet ze niet precies. Haar identiteit? Ze heeft geen idee en daarom is ze nog banger dan dat ze al bang is. Want als je weet wat je te verliezen hebt, weet je wat je vast moet houden.
Haar enige houvast is de crisis. Die is er, gelooft Nederland, dus grijpt ze de crisis aan. Met angstige armen omklemt ze de schatkist. En bovenop de kist zet ze machtige lieden met tevreden bipsen die haar vertellen dat er geen geld meer is. ‘Wees bang klein Nederland’, roepen ze, ‘want de wereld zit vol met Arabieren die jou willen pakken. Ze komen naar je toe en ze vreten je arm. Net zolang tot je wordt wie je ooit was; een land vol aardappeleters.
Op een dag verscheen er een zwarte prins. Hij ging voor de lieden staan en sprak: ‘Mijn naam is Mauro. Ik kwam hier als kind , maar ben nu achttien, een volwassen man, klaar om te geven. Mag ik hier blijven, alstublieft?’
En de lieden op de schatkist riepen: ‘Geen sprake van. We kunnen niet aan de gang blijven. Wij hebben zelf het geld hard nodig en ze boekten een reisje naar Mozambique.
En de zwarte prins sprak: ‘Maar ik wil niet weg, want dan mis ik mijn nieuwe familie.
‘Dat is de wet’, riepen de lieden.
‘En waar is het hart?,’ sprak de prins.
Eerst klonk er een donderslag en daarna werd het ijzig stil. ‘Waar is het hart, inderdaad?’ riep één van de lieden met de naam Koppejan en hij begon naarstig te zoeken. ‘Het hart is zoek,’ riep een tweede. ‘Wat doet dat er toe?’ riep een derde. ‘We zijn er niet voor het hart!’ riep een vierde. ‘Is dit misschien een hart?’, vroeg een vijfde. ‘De prins moet mee naar een voetbalwedstrijd,’ riep de zesde, een bleke man die zich had moeten inzetten voor dieren in het wild. ‘Geef ‘m een visum voor een studie,’ riep een zevende. ‘Dan kan ie antropologie studeren,’ riep een achtste. ‘In Angola?’ riep een negende. ‘Nee, in Limburg,’ riep een tiende.
En zo gingen de lieden door op de schatkist, kibbelend en bang tot de blaren op hun bipsen groeiden van het zitten. En de zwarte prins stond huilend voor hen met het hart in zijn hand. En er was niemand die het zag.