Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband
Oer!!


Het is herfst en ik loop alleen door het bos. Op weg naar grootmoeder ben ik niet. Ook draag ik geen mandje vol met lekkers bij me. Toch hoor ik plots achter me een donkere stem: ‘Mag ik iets vragen?’ Daar zul je ‘m hebben, denk ik: de boze wolf.
Ik draai me om en zie een jongeman. ‘Ja, hoor’, antwoord ik nieuwsgierig. Hij loopt naar me toe: ‘Mag ik jou een stukje wilde natuur tonen?’ Ik schrik: ‘Is dit een vriendelijke uitnodiging of een oneerbaar voorstel?’ ‘Wat bedoel je precies met ‘een stukje wilde natuur’?’ vraag ik met terechte achterdocht. ‘Voorbij het bospad ligt een meertje. Dat wil ik je graag laten zien.’ Eigenlijk heb ik wel zin in avontuur, maar mijn gezonde verstand antwoordt helaas: ‘Ik ga in principe niet met vreemde mannen het padje af.’
‘Ik ben ongevaarlijk’, probeert hij. Opnieuw begint het avontuur te borrelen. Driftig zoek ik contact met mijn intuïtie om een betrouwbaar antwoord te krijgen op de vraag: Zal ik toch of zal ik niet? Het is tenslotte mijn beschermengel die verlossing brengt. ‘Ga maar mee’, fluistert ze, ‘ik zit op je schouder.’
Zodoende loop ik even later met gemengde gevoelens en een wildvreemde man door het hoge struikgewas. Hij leidt me naar een drekkig dal. ‘Dit is het’, zeg hij trots. ‘Mooi’ zeg ik.
‘Zie je wel’, knipoogt hij, ‘je moet in het leven soms de gebaande paden verlaten.’ Het zijn wijze woorden in een ongemakkelijke situatie. Filosofische wederclichés heb ik niet paraat. Het is het soort ogenblik, waarop je behoort te gaan zoenen. Maar daar heb ik totaal geen zin in. De jongeman heeft z’n handen in z’n zakken en kijkt onrustig om zich heen. Ik heb het idee dat hij hoopt op romantiek. Want een vrouw een moeras tonen, is leuk, maar voor een man niet zeer bevredigend.
‘Mag ik jou een bos hout laten zien?’ vraag ik om dit ongerief te doorbreken. ‘Een bos hout?’ Nu kijkt hij geschrokken, alsof ik degene ben met het oneerbare voorstel. ‘Een eindje verderop hebben mensen een compositie van takken gemaakt’, leg ik uit.
Even later staan we in stilte naar een staaltje fraaie boskunst te kijken. De wolf en ik. Het heeft eigenlijk wel wat. Ik kijk naar hem en wil bijna zeggen: ‘Maar oma, wat hebt u grote handen!’
Maar ik loop door. In mijn eentje. Heel lang en best gelukkig.