Kerstgevoel
De zwarte prins
Waarom is een kikker?
Noabers
Gênant met zwemband
Oer!!


‘We zeggen gewoon dat je zangeres bent!’ verzon mijn beste vriendin. Ze is supervioliste en had die avond een speciale repetitie voor een eenmalig optreden met andere jazzrotten uit het vak. Het idee was eigenlijk dat ik even met haar mee fietste om daarna huiswaarts te keren. ‘ Je bluft gewoon wat klanken bij elkaar!’ stelde ze overmoedig voor. ‘Dat kan je wel.’ Daar had ze gelijk in. Niets liever galm of pruttel ik continue allerlei geluiden uit. Verstaanbaar of onverstaanbaar. Aan mij de expressie.
Maar om dit nu officieel als ‘vocale jazz’ te presenteren, ging me toch wat te ver. De kans dat ik door de mand zou vallen was erg groot. En liegen kan ik niet. ‘Dan zeggen we dat je cabaretière bent die graag klanken uitstoot!’ Onder die voorwaarde durfde ik het experiment aan.
Bij binnenkomst werd ik door de muzikanten meteen geaccepteerd. Dat zal wel aan mijn leuke jurkje liggen, dacht ik achterdochtig. Maar toch zat ik even later serieus met een microfoon voor mijn neus op een kruk. ‘Doe maar wat!’ was het motto. Dat vond ik een pittige opgave. Ik kende noch de muzikanten, noch de jazzregels. Nu vermoedde ik wel dat jazz weinig regels heeft, maar zeker wist ik dit ook niet.
Terwijl mijn vriendin virtuoos met haar vioolstok over de snaren scheerde, sputterde ik hier en daar wat onnoemenswaardige vibraties uit. De microfoon hield ik daarbij op een veilige afstand van mijn stembanden. Met muziek had deze vertolking niets te maken. Eerder met muurbloemisterij. ‘Zing dan, durf dan!’ sprak ik mezelf hardhandig toe. Het mocht niet baten. Ik ben ook niet ruig genoeg om muzikant te zijn, dacht ik teleurgesteld.
Gelukkig drukte de saxofonist me een boek in mijn handen. ‘Lees hieruit maar hardop voor!’ raadde hij me aan. Tussen de opzwepende muziek sprak ik vervolgens zinnen uit als: Van de rottende geur die sommigen uit hun mond hebben, werd hij misselijk’ en ‘Zijn moeder deed vroeger veel met uien’ . Het was theatraal gewaagd allemaal en voor vijf minuten ging ik helemaal los. Maar na deze geslaagde uitspatting, hield ik me deugdzaam in.
Wanneer is het optreden eigenlijk? vroeg ik naderhand . ‘Volgende week zondag’, antwoordden ze. ‘Oh, dan kan ik niet’, zei ik opgelucht, ‘dan heb ik een groot familiefeest.’ ‘So what?’ vroeg de saxofonist op onverschillige toon. Mijn smoes was ruig en heel experimenteel: ‘Ik wil het zaklopen niet missen.’